Samen met de School voor Openbaar Bestuur zijn we als VB te gast in het provinciehuis van Overijssel waar het essay “Verbeelding verbindt; over de inzet van ruimtelijke identiteit bij het organiseren van gemeenschapskracht” centraal staat. Op het programma staan een beknopte presentatie van het essay door de auteurs, drie inhoudelijke reflecties en een panelgesprek met de zaal. Laura Schröer opent als moderator de avond met de vraag wat gemeenschapskracht eigenlijk is en welke beleving van identiteit de aanwezigen hebben. Nico Versteeg verwelkomt de aanwezigen en de VB namens de provincie Overijssel en Marlies Honingh doet dat namens de Vereniging voor Bestuurskunde.
Georgina Kuipers, presenteert namens het auteursteam het essay en neemt ons mee langs de drie casus uit het essay: Energy Island in Goeree Overflakke, het Vechtdal in Overijssel en Fryslan Circulair. Energy Island is een ambitieus plan om energie neutraal te worden. Het plan sloot aan bij latente wensen en plannen van ondernemers en inwoners van het eiland met een getijdencentrale en zonnenvelden. Voor het Vechtdal geldt dat het gebied buiten het programma ruimte voor de rivier viel maar dat er toch ook echt werk gemaakt moest worden van waterveiligheid. Het derde project is van de Vereniging Circulair Fryslan, een samenwerking van marktpartijen, overheid en kennisinstellingen. In Friesland hoef je natuurlijk niet echt aan de regionale identiteit te werken maar de vraag is natuurlijk wel hoe je iets als circulariteit daar dan weer aan kunt verbinden?
Hoe sluit je aan bij een gedeeld verleden of een gedeelde cultuur? Die dikke identiteit die al bestaat is gegroeid door de tijd, gebaseerd op gedeelde waarden en sociale relaties (bonding) en de dunne ruimtelijke identiteit is meer pragmatisch, op samenwerking gericht (bridging). Zo wordt duidelijk dat er meer nodig is dan identiteit. Hoe stuurt de overheid en hoe verhoudt zij zich tot de samenleving en de markt? Stuur je op randvoorwaarden of resultaten, van binnen of vanuit buiten? Hoe te denken over eventuele weerstand, welks strategieën zijn dan in beeld? In het essay komen vier principes naar voren:
- Ruimtelijke identiteit is brandstof voor gemeenschapskracht
- Doe niet te dik over identiteit, het gaat juist over verbeeldingskracht Het hoeft niet hoogdravend of diepgravend
- Geen realisatievermogen zonder collectieve verbeelding
- Incorporeer lokale (verzets)identiteiten in een regionale identiteit
Drijvend op deze principes komen we bij de schets van de zeilboot op het kaft van het essay. De fok vangt de verbeelding, de stand van ze zeilen kan aangepast als het niet voor de wind gaat en het drijfvermogen van de romp zorgt voor realisatievermogen.
Sofie Dreef reflecteert op het essay vanuit het idee van regio’s. Wat zijn regio’s en hoe voelen burgers zich tot regio’s verbonden? Hoe zien bestuurlijke regio’s eruit? Vaak wordt de metafoor van de lappendeken gebruikt. Deze term suggereert netjes aan elkaar gestikte vierkante lapjes. De werkelijkheid is veel rommeliger. De deken heeft meer weg van een overlappendeken, zo stelt Sofie. Wanneer we kijken vanuit het idee van ecosystemen dan zien we bovendien dat ook de bestuurlijke, maatschappelijke, economische en levensgemeenschappen elkaar overlappen.
Sofie laat zien dat uit haar onderzoek blijkt dat burgers zich vaak sterker identificeren met de regio waar zij wonen dan met de gemeente waar zij moge stemmen. Dat is een interessant punt omdat legitimiteit via lokale verkiezingen (gemeenten) verlopen.
Het is goed om te bevragen of die dikke identiteit die in het essay naar voren komt ook maakt dat samenwerking in de regio effectief is. Sofie geeft voorbeelden waaruit juist het tegendeel blijkt. Een sterke mate van saamhorigheid en gedeelde dikke identiteit kan ook juist vertragen en de vaart uit samenwerking halen. Zo vinden we een belangrijke reden om samenwerkingsculturen te blijvend bevragen.
Geerten Boogaard roept op om na te denken over de verbeelding die ook ten grondslag ligt aan het idee van het algemeen belang. De notie van algemeen belang vinden we op drie plekken in het staatsrecht – namelijk in de grondwet, de provinciewet en de gemeentewet. Drie plekken waar er sprake is van volksvertegenwoordiging en van het algemeen belang. Dat algemeen belang kan er driemaal anders uitzien. Geerten presenteert twee tegeltjes met stellingen. Op het tweede tegeltje staat: “Opgave volgt schaal”. Die stelling brengt ons terug naar het denken over het algemeen belang. Want wanneer er ook legitimatie moet zijn om een opgave ten uitvoer te brengen dan is het juist raadzamer om de opgave zo te definiëren dat de opgave past bij de schaal.
In de derde reflectie laat Natascha van der Zwan zien dat we identiteit ook moeten zien als iets wat aan te wakkeren is, en minder als een vast gegeven Uit de crisisliteratuur weten we dat er dan juist een beroep gedaan wordt op mensen in de directe omgeving in plaats van degene die je beschouwt als je naasten. Sociale cohesie maakt niet dat we beter voorbereid zijn. Wat betekent dit voor de verbeelding wanneer we een weerbare samenleving willen creëren? Welke identiteit past daarbij? Hoe kunnen we dat slim doen?
Natascha beziet de casus vervolgens ook vanuit materialiteit. Staat materialiteit tegenover identiteit? Vaak zien we juist dat er koplopers zijn of dat er een pot geld is om te zorgen voor city marketing? Is het versterken van identiteit ook langs andere routes mogelijk? Er is een sterke wisselwerking tussen economie en identiteit.
In lijn met het denken van Nancy Fraser waarschuwt Natascha ons voor denken in identiteiten die vaststaan in plaats van identiteiten die zich ontwikkelen en dus in flux zijn. Dit is belangrijk omdat gemeenschappen niet altijd vanuit nostalgie ontstaan maar ook bewust politiek zijn. Depolitiseren van gemeenschappen is daarmee een slecht idee. Daarmee komt ook de vraag op tafel of er ook grenzen aan gemeenschappen zijn.
Tijdens het panelgesprek zijn er vanuit de zaal veel vragen voor de vier panelleden. Zoals over de aanwezigheid van lokale netwerken, die soms ook op een laag vuurtje wel aanwezig moeten zijn, om elkaar indien nodig weer snel te kunnen vinden. Of geldt dan toch dat je moet kunnen benoemen waarom je bij elkaar aan tafel zit? Zonder urgentie is het alleen maar bestuurlijke drukte. Wat te denken over opgaven die te ingewikkeld zijn voor afzonderlijke gemeenten? Kun je dan rekenen op bestaande samenwerking en weet je wat ze wel en niet kunnen. Is dat een bewezen effectieve schaal? Of gaat dat idee van schaal dan niet op? Aan het einde komen de prularia en snuisterijen nogmaals voorbij als triggers voor identiteit? Daar achter zit wel de vraag: hoe sterk is identiteit? Komt identiteit bottom-up of is het toch ook top-down?

