Van 15 oktober tot en met 8 november 2020 is het eerste Nationaal Verenigings Onderzoek uitgevoerd. 567 verenigingen zijn begonnen met het invullen van de vragenlijst, 449 hebben deze ook volledig afgerond. Omdat elke beantwoorde vraag waardevol is, hebben we er in dit onderzoek voor gekozen om ook de half ingevulde vragenlijsten mee te nemen in de analyse.

Voor het onderzoek zijn alle typen verenigingen uitgenodigd. In het rapport maken we in de hoofdlijnen verschil tussen de 101 brancheverenigingen, 71 beroepsverenigingen en 395 vrijwilligersverenigingen die de vragenlijst hebben ingevuld.

Tot op het moment van invullen van de vragenlijsten hebben de verenigingen in 2020 per saldo meer aanmeldingen dan afmeldingen ontvangen van leden. Per saldo hebben de vrijwilligersverenigingen een groei van 3% en de branche- en beroepsverenigingen een groei van 2% in het aantal leden gerealiseerd. De belangrijkste redenen voor de aanmeldingen zijn het inhoudelijke aanbod, en in het geval van beroeps- en vrijwilligersverenigingen is de groei te danken aan ledenwerfacties. Het werven van pas afgestudeerden en bedrijven die korter dan een jaar geleden opgericht zijn, vinden de meeste branche- en beroepsverenigingen niet gemakkelijk en niet moeilijk. Toch overtreft het percentage verenigingen dat dit wel moeilijk vindt, het percentage verenigingen dat dit als gemakkelijk ervaart. De brancheverenigingen schatten in dat 7% van hun nieuwe leden, bedrijven zijn die korter dan een jaar geleden zijn opgericht. De beroepsverenigingen denken dat 32% van hun nieuwe leden korter dan een jaar geleden is afgestudeerd.

De belangrijkste reden voor afmeldingen van leden zijn persoonlijke - of bedrijfs- omstandigheden. Corona speelt hier nauwelijks een rol.

Als we kijken naar de dekking van de branche- en beroepsverenigingen ten opzichte van de gehele branche of beroepsgroep, dan blijkt dat de brancheverenigingen over het algemeen een wat grotere organisatiegraad hebben. Een groot deel van de bedrijven in de branche zijn dan dus lid van de brancheorganisatie. Dat geldt zowel in termen van aantal bedrijven als omzet en werkgelegenheid.

Veruit de meeste verenigingen bestaan uit een ALV, een bestuur en een aantal commissies en/of werkgroepen. Het percentage leden dat actief is binnen de vereniging varieert sterk. Wel valt op dat bijna driekwart van de beroepsverenigingen, minder dan 20% actieve leden heeft.

Over het algemeen tellen de vrijwilligersverenigingen wat minder leden in het bestuur dan de beide andere typen verenigingen. De brancheverenigingen kennen het vaakst een groter bestuur. Meer dan de helft van de beroeps- en vrijwilligersverenigingen worstelt hiermee, terwijl dit bij de brancheverenigingen bij ongeveer een derde speelt. Toch blijkt de wet- en regelgeving vanuit de overheid nauwelijks een belemmering te vormen bij het vinden van bestuursleden voor vrijwilligersorganisaties.

De helft van de beroepsverenigingen en een kwart van de vrijwilligersverenigingen heeft of overweegt een ontwikkeltraject voor het aanpassen van de governance van hun vereniging. De brancheorganisaties zitten hier met 37% tussenin. Meestal gaat het hierbij om de herinrichting van de structuur van de vereniging. Met de komst van de nieuwe Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr) in 2021, kan dit betekenen dat er een inhaalslag moet worden gemaakt als het om het aanpassen van de governance gaat. Bij vrijwilligersverenigingen wordt daarnaast veel gekozen voor het aanpassen van het besturingsmodel en het aanpassen van de statuten en/of regelementen.
De helft van de brancheorganisaties heeft een voorzitter die betaald wordt voor zijn/haar werkzaamheden. Bij de beroeps- en vrijwilligersverenigingen komt dit veel minder voor. Het grootste deel van deze verenigingen heeft geen betaalde krachten in het bestuur.

38% van de vrijwilligersverenigingen heeft geen gesalarieerd personeel binnen de vereniging. Dit komt bij de beide andere verenigingstypen veel minder voor. Deze verdeling hangt sterk samen met het aantal vrijwilligers dat werkt binnen de vereniging. De vrijwilligersverenigingen bogen op een groot aantal vrijwilligers, terwijl meer dan de helft van de brancheverenigingen over geen enkele vrijwilliger beschikt binnen de organisatie.

Zoals te verwachten valt, zijn de inkomsten van brancheverenigingen door de bank genomen het hoogst, gevolgd door de beroepsverenigingen. Meer dan de helft van de verenigingen heeft in de afgelopen 3 jaar vrij stabiele inkomsten gehad, met schommelingen van maximaal 5% daling of 5% stijging. Contributie blijft de belangrijkste inkomstenbron, al geldt dit sterker voor de branche- en beroepsverenigingen dan voor de vrijwilligersverenigingen.

53% van de brancheverenigingen, 57% van de beroepsverenigingen en 64% van de vrijwilligersverenigingen is tevreden over de huidige verdeling van inkomsten. Degenen die graag een verschuiving teweeg willen brengen, wensen meer inkomsten uit subsidie en/of sponsoring te verwerven.

De meeste verenigingen zijn lid van één of meer andere verenigingen. Beroepsverenigingen en vrijwilligersverenigingen zijn over het algemeen van minder verenigingen lid dan de brancheverenigingen. Ongeveer de helft van de verenigingen geeft aan dat hun handelen deels of sterk wordt bepaald door de vereniging(en) waar zij lid van zijn.
Daarnaast zijn de meeste verenigingen een of meerdere samenwerkingsverbanden aangegaan om gezamenlijk belangen te behartigen. Dit is het meest gangbaar bij de brancheverenigingen (95%) en het minst bij de vrijwilligersverenigingen (70%). De samenwerkingen vinden op alle niveaus plaats, maar het meest op nationaal niveau. Vrijwilligersverenigingen werken ook zeer regelmatig op lokaal niveau samen.
Als de belangrijkste nadelen worden het ondersneeuwen van het eigen belang door het totaalbelang en minder profileringsmogelijkheden voor de eigen vereniging genoemd. Ondanks de nadelen aan de samenwerkingsverbanden, ervaren de verenigingen deze wel als belangrijk. Dit varieert van 63% van de vrijwilligersverenigingen, die de samenwerkingen als belangrijk of zeer belangrijk aanmerken, tot 92% bij de brancheverenigingen.
Als we vervolgens vragen op welke gebieden meer samenwerking gewenst is, dan vinden de branche- en beroepsorganisaties belangenbehartiging belangrijk. De vrijwilligersorganisaties noemen dit ook regelmatig, maar zij zouden ongeveer even vaak samenwerking op het gebied van kennisdeling en van ledenwerving willen.

Meer dan 80% van de verenigingen heeft in de afgelopen periode iets ondernomen op het gebied van innovatie. Vaak hebben ze nieuwe activiteiten ontplooid of zijn ze nieuwe samenwerkingen aangegaan.
De doorgevoerde innovaties hebben vooral ledenbinding en ledenuitbreiding als doel. Ook het uitbreiden van het aanbod aan leden is belangrijk. De brancheverenigingen wensen daarnaast nieuwe maatschappelijke initiatieven te ontplooien en het vertrouwen van overheden en andere belanghebbenden te winnen. Beide andere typen verenigingen streven deze doelen in veel mindere mate na met hun innovaties.

Het overgrote deel van de verenigingen is onder invloed van corona verder gedigitaliseerd. De meerderheid van de branche- en beroepsverenigingen ziet dat de betrokkenheid van de leden vergroot is door deze digitalisering. Bij de vrijwilligersverenigingen is dit percentage beduidend kleiner, namelijk 26%.

Lees het hele onderzoek hier

s2Member®