Wetenschap is van cruciaal belang voor de aanpak van de coronacrisis. Maar wanneer wetenschap de crisisaanpak domineert, worden ook haar inherente kwetsbaarheden blootgelegd, betogen Mirko Noordegraaf en Wouter van Dooren.

De Covid-19 crisis is maatschappelijk zorgwekkend, maar academisch uitdagend. Het brengt academische energie op gang, zowel in termen van werkwijzen, als ook inhoud en reflectie. Dit stuk is de weerspiegeling daarvan. Het bevat de verkorte versie van een inmiddels in Public Administration Review (PAR) gepubliceerd artikel, na ‘speedy review’. Het bevat de inhoudelijke reflectie die we in dat stuk neerlegden, over de wetenschappelijke aard van de aanpak van Covid-19.
Politici en beleidsmakers omarmden een wetenschappelijke aanpak, in Nederland en daarbuiten. Met nadruk op metingen en modellen, met de besmettingsgrafiek, in relatie tot de reproductie ratio’s en de IC-bezetting. Maar het valt op dat dit al snel kritische geluiden op gang bracht en dat een strikt wetenschappelijke aanpak lastig bleek vol te houden. Hoe werkt dat nu, zo’n wetenschappelijke aanpak in crisistijd?

Wetenschap ten tijde van crisis
Dat wetenschap voor de aanpak van Covid-19 van groot belang is, is een feit. De politieke besluitvorming leunt in hoge mate op wetenschappelijke inzichten, die via metingen en modellen tot ons komen. Vooral virologische, epidemiologische en publieke gezondheidskennis wordt in de besluitvorming gebruikt. Sterker, vooral in het begin van de crisis kwam besluitvorming voort uit de wetenschappelijke voeding. ‘Flatten the curve’ stond centraal, waarbij aantallen besmettingen, besmettingsgraad, ziekenhuisopnames, IC-bezetting en aantallen doden op elkaar betrokken werden. Maatregelen die dat positief (zouden) beïnvloeden werden afgekondigd, zoals in Nederland de ‘intelligente lockdown’.

‘De normale werking van wetenschap staat haaks op de kenmerken van een crisis’

Deze rol van wetenschap in crisistijd is paradoxaal. Natuurlijk zijn in crisistijd kennis en expertise van groot belang, zodat snel en gericht kan worden gehandeld. Maar juist in crisistijd is het extra moeilijk om wetenschap met kracht te laten werken. Want de normale werking van wetenschap staat haaks op de kenmerken van een crisis. Wetenschap staat gelijk aan onenigheid en intellectueel conflict, terwijl een crisis om helderheid en eenduidigheid vraagt. Wetenschap werkt stap-voor-stap en traag, terwijl een crisis om snelheid vraagt. Wetenschap is onpersoonlijk en objectief, terwijl een crisis om personen en gezichten vragen, zoals een ‘Van Dissel’. Wetenschap benadrukt complexiteit en verweert zich tegen al te simpele analyses, terwijl crisisbesluitvorming om eenvoudige taal en interventies vraagt. Hoe kan het dan dat wetenschap tijdens Covid-19 zo dominant wordt? En blijft dat wel goed gaan?

Wetenschap wordt geënsceneerd
De dominantie van wetenschappelijke kennis is afhankelijk van de enscenering van wetenschap, niet eens zozeer door wetenschappers zelf, maar door politieke leiders en besluitvormers, alsmede media en journalisten. Wetenschap wordt in staat gesteld zijn rol op het podium van de macht te spelen. Het is niet voor niets dat Van Dissel (RIVM) tijdens de persconferenties aan het begin van Covid-19 letterlijk op het podium stond om de Kamer wekelijks publiekelijk bij te praten, en dat vele wetenschappelijke collegae in de pers figureren, in de journaals te zien en te horen zijn, en aan tafels van talkshows zitten. Wetenschap wordt actief tot een onderdeel van politieke besluitvorming gemaakt. Wetenschappers, politici, beleidsmakers en journalisten vormen allianties om Covid-19 in te dammen, waarbij wetenschap geënsceneerd wordt. Hoe werkt die enscenering? Wij zien drie cruciale mechanismen.

‘Wetenschappelijke metingen leggen de tekortkomingen van de gekozen aanpak bloot’

Ten eerste wordt wetenschap gepersonifieerd, via vooraanstaande representanten in politieke en publieke circuits. Als zij dat met statuur en gezag doen, dan worden zij belangrijke ankerpunten voor politiek en publiek. Sterker, ze worden onze symbolische houvast. Daar waar militairen in sommige Europese steden na terroristische aanslagen onze symbolische houvast werden, zijn dat nu wetenschappers.
Ten tweede wordt de crisis en de crisisaanpak gevisualiseerd, met nadruk op grafieken en curves. Op die manier wordt er feitelijk maar tevens narratief houvast geboden: we weten collectief waar op gestuurd wordt, en waar we naar handelen. We kunnen tastbaar maken, ook vergelijkenderwijs (historisch en in vergelijking met andere landen) of de maatregelen effect hebben.
Ten derde worden de modellen en metingen verlevendigd, dat wil zeggen realistisch gemaakt, door ze te koppelen aan echte ervaringen. In de media figureren niet alleen wetenschappers en hun kennis, maar ook ‘echte mensen’: patiënten, corona-getroffenen, artsen, verpleegkundigen, politieagenten, et cetera, die hun ervaringen en emoties tonen. Denk bijvoorbeeld ook aan het tv-programma ‘Frontberichten’.

De kwetsbaarheid van wetenschappelijke dominantie
Ofschoon wetenschap kracht kan hebben in een crisisaanpak, zoals de Covid-19 aanpak bewijst, is de nadruk op wetenschap ook kwetsbaar en riskant, voor politici en wetenschappers. Tijdens de aanpak biedt de wetenschap steeds minder houvast.
Voor alles zien we dat (nieuwe) wetenschappelijke metingen de tekortkomingen van de gekozen aanpak blootleggen. Ook beleid dat gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten is niet waterdicht. Metingen tonen tekorten van beschermend materiaal aan. Andere metingen tonen aan dat mondkapjes onveilig zijn. Medische inzichten brengen de nasleep van de behandelingen op de IC in beeld. Deze nieuwe inzichten leiden tot nieuwe politieke afwegingen: wie heeft voorrang als het om beschermingsmiddelen gaat, of om IC-behandeling? Wat hebben we over voor IC-behandeling, zowel menselijk als financieel?
Tegelijkertijd zien we de relativiteit van de wetenschappelijk gebaseerde maatregelen. De meeste aandacht gaat (ging) uit naar virologische, epidemiologische en (publieke) gezondheidskundige inzichten, terwijl Covid-19 grote psychologische, economische, en sociale effecten heeft. Ook die worden modelmatig in kaart gebracht, en dat plaatst de medische aanpak steeds meer in (politiek) perspectief. Bovendien zijn binnenlandse en buitenlandse maatregelen zeer verschillend. Ook al die buitenlandse maatregelen zijn geïnformeerd door wetenschap. Met verbazing kijken we naar Zweden, waar topvirologen het land een heel ander pad opstuurden. Als dan exit-strategieën worden bepaald, wat ook met curves gebeurt, dan blijkt dat de maatregelen in de tijd relatief zijn. Wat hebben we nu over voor lange termijneffecten, zowel economisch als sociaal? Het is niet gek dat er naast het OMT een ‘maatschappelijk impact team’ kwam, onder leiding van Femke Halsema.

‘Wetenschappelijke bijdragen aan probleemoplossing schieten per definitie tekort’

Tot slot betekent de verwetenschappelijking van de aanpak, ten dienste van eenvoudige interventies, dat de complexiteit van de problematiek ten volle zichtbaar wordt. Het vraagstuk blijkt zo overweldigend complex, dat wetenschappers steeds meer met hun eigen tekortkomingen worden geconfronteerd. Niet alleen binnen hun discipline maar ook tussen disciplines. Naarmate we wetenschappelijk meer grip en helderheid proberen te krijgen, wordt het zicht verder vertroebeld. Het is niet vreemd dat het OMT op een gegeven moment zelf aangaf (eind april) het oneens te zijn (bijvoorbeeld over mondkapjes), niet de verantwoordelijkheid te willen dragen, en dat andere wetenschappers ook van belang waren.

Wetenschap schiet per definitie tekort
Tijdens een crisis als Covid-19 is wetenschap van groot belang: wetenschappers maken via hun modellen en metingen inzichtelijk wat er aan de hand is, hoe dat komt, wat er mogelijk en nodig is. Dat moet actief geënsceneerd worden, mede via allianties tussen wetenschap, politiek en media. Dat geeft houvast, inhoudelijk en symbolisch.
Maar als daarmee de suggestie wordt gewekt dat wetenschap het probleem kan oplossen, als politieke afwegingen worden verhuld, als blijkt dat ‘het probleem’ niet bestaat – wat is het probleem eigenlijk? – dan wordt de verwetenschappelijking van een crisisaanpak zelf problematisch. Wetenschappelijke bijdragen aan probleemoplossing zijn goed, maar die bijdragen schieten per definitie tekort. Want zo werkt wetenschap. Dat moeten politici en beleidsmakers zich goed blijven realiseren.

Dit artikel verscheen eerder op Platform O.

s2Member®