Den Haag: Raad voor het openbaar bestuur, April 2016, 52 blz.

De afgelopen decennia is veel nagedacht en geschreven over positie en rol van gemeenteraden binnen de lokale democratie. Meestal met een zorgelijke ondertoon. Formeel staat de gemeenteraad nog steeds ‘aan het hoofd van de gemeente’. Feitelijk zien onderzoekers en commentatoren vooral verlies van macht en aanzien. Aan die omvangrijke literatuur voegt de Raad voor het openbaar bestuur (Rob) nu een compact advies toe. Kern van dat advies is het zoeken naar een antwoord op de moeilijke vraag “Hoe kunnen raadsleden hun positie en rol versterken in de lokale democratie?” (p.9).

In vogelvlucht – maar wel gebaseerd op het vele beschikbare materiaal – analyseert de Rob de problemen van gemeenteraden. Kern van die analyse: in een snel veranderende lokale omgeving zit de raad nog te veel opgesloten in een traditionele rol opvatting. Alsof gemeenteraad en gemeente nog steeds de spil zijn waar het lokaal allemaal om draait. De Rob laat het tegendeel zien. Regionalisering, de overgang van government naar governance, mondige(r) burgers en belangen, nieuwe vormen van democratie, ze dwingen de raad allemaal tot herbezinning op eigen rol en positie. Bijna terloops en vooral impliciet wordt daarmee ook het failliet uitgesproken van de vorige heroriëntatie, de dualisering van het lokale bestuur in 2002. Al is het maar omdat de term dualisme in de hoofdtekst nergens valt.

Op zoek naar oplossingen pleit de Rob wel voor professionalisering van het raadswerk maar – gelukkig – niet voor fulltime raadsleden. En evenmin pleit de raad voor het verder opvoeren van het toch al aanzienlijke tijdsbeslag van 15,9 uur per week, waar het advies zijn titel aan ontleent. Jammer overigens dat die 15,9 uur nergens ter discussie wordt gesteld. Is het een valide observatie of meer een sociaal wenselijk antwoord? En, hoeveel van die 15,9 uur rekenen ‘gewone’ burgers tot hun vrijetijdsbesteding: de opening van een tentoonstelling, recepties, de intocht van de Sint....

Belangrijker dan (schijn)exactheid is het pleidooi van de Rob voor het anders besteden van de voor het raadslidmaatschap beschikbare tijd. Kort samengevat: minder binnens(gemeente)huis en meer verbindend met de omringende samenleving. Heel terecht. Maar, hadden we dat ook niet al eens eerder gehoord bij de dualisering? Kennelijk is het gemakkelijker oplossingen te bedenken dan ze te implementeren. Dat zou ook wel eens kunnen gelden voor veel van de andere aanbevelingen. Neem het pleidooi voor zodanige afspraken tussen fracties, over het proces binnen de raad, dat meer tijd overblijft voor extern netwerken, als werkwoord. Of het pleidooi voor het vermijden van overmatige politisering. Wie bepaalt wat overmatig is en wie doet er wat aan?

Twijfel over de uitvoerbaarheid van sommige aanbevelingen neemt niet weg dat er een interessant advies ligt met soms provocerende suggesties. Bijvoorbeeld de aanstelling van een rapporteur uit de raad om raadsdebatten over ingewikkelde kwesties voor te bereiden (cf. de rapporteurs in het Europees Parlement).

Ook (zelfs?) in de bijlagen – onder meer over burgerparticipatie, kwetsbaarheid van raadsleden en de rol van lokale media - is interessante stof tot nadenken te vinden.

Jammer dat ook dit advies geen echte oplossing biedt voor het zeer actuele probleem van het democratische gehalte van bovenlokale samenwerking tussen gemeenten. Uitvoering en zelfs de vorming van beleid vinden meer en meer op dat niveau plaats. Gemeenteraden hebben er – ook in hun eigen beleving – (te) weinig greep op. Sturing en controle van veel beleid verplaatst zich naar bestuurders op regionaal niveau. Het antwoord van de Rob op deze ingrijpende verplaatsing blijft beperkt tot zwakke oplossingen als betere samenwerking binnen en tussen gemeenteraden.

Tenslotte moet geconstateerd worden dat het advies toch wel een bias heeft in de richting van positief getinte samenwerking tussen gemeenteraadsleden en actieve, rationele, goedwillende burgers. Hoe om te gaan met de tegenwoordig in zo grote getale aanwezige boze en wantrouwende burgers komt niet aan de orde. Een gemiste kans in een overigens lezenswaardig advies.

Over de auteur

Lex Cachet studeerde sociologie Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 1990 op een proefschrift getiteld Politie en Sociale Controle. Over het effect van politieop­treden. Hij was tot 2012 universitair hoofddocent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

s2Member®