Corona Colleges

In samenwerking met de website “Coronapapers.nl” laat de Vereniging voor Bestuurskunde (VB) auteurs van deze papers aan het woord. In de “VB Corona Colleges” (VB-CC) vertellen zij in korte digitale bijdragen over hun analyses, en actualiseren deze, in het licht van recente ontwikkelingen.

De website “Corona papers” is enige tijd de lucht ingegaan, onder aanvoering van de hoogleraren Boogers en Boogaard en Thorbecke-fellow Van der Wal, met steun van het ministerie van BZK. Op deze website kunt u reflecties lezen over de pandemie, politiek en het binnenlands bestuur, met bijdragen vanuit allerlei disciplines, organisaties, universiteiten en praktijken. 

De nieuwe serie “Corona Colleges” is een vervolg op de eerdere VB Special State of Science (S-SoS) reeks – die u hier kunt bekijken – maar wijkt daar ook van af. De nieuwe reeks start niet alleen bijna een jaar na de uitbraak van de Covid-19 pandemie, maar vooral ook vanuit geschreven bijdragen, die niet primair ‘bestuurskundig’ zijn, maar die wel relevant zijn voor de bestuurskunde en de bestuurspraktijk. De nadruk ligt bovendien op het decentrale bestuur en bestuurspraktijken, dicht bij burgers en bedrijven. 

Iedere week een nieuwe video, waarin een of meer auteurs stil staan bij de bestuurlijke aanpak van de Covid-19 pandemie, en bij de bestuurlijke implicaties. Wat kunnen we leren aan en van de Corona-aanpak?!

Lange leve burgerinitiatieven? Maatschappelijk engagement tijdens de Corona crisis

Op veel plekken, in veel gemeenten, zien we de laatste jaren burgerinitiatieven ontstaan, variërend van keukentafelgesprekken, via taallessen voor nieuwkomers, tot energiecoöperaties. Die initiatieven belichamen niet alleen het verlangen van burgers om maatschappelijk engagement te tonen en mee te doen, ze worden politiek omarmd en door overheden gesteund. Sterker, dergelijke initiatieven zijn meer beleidsmatig een manier geworden om de ‘participatiesamenleving’ vorm te geven en de verzorgingsstaat te ‘vervangen’. Maar, hoe werken die initiatieven, wat mogen we van ze verwachten, hoe duurzaam zijn ze? Menno Huurenkamp, Neeltje Spit en Kors Visscher van de Universiteit voor Humanistiek (UvH) stellen die vragen al langer, en ze hebben die vragen vooral ook tijdens Corona gesteld en actuele antwoorden gezocht. Hoe robuust zijn burgerinitiatieven als een crisis toeslaat? Op grond van vergelijkend onderzoek in vier gemeenten laten ze ten eerste zien dat grootschalige en meer formele initiatieven het lastig hebben. Het meebewegen met de crisis blijkt moeilijk, moeilijker dan voor meer informele initiatieven. Ten tweede laten ze zien dat geïnstitutionaliseerde initiatieven die sterk afhankelijk zijn van de overheid het eveneens lastig hebben, vooral omdat de overheid de laatste tijd ‘onvindbaar’ is. Ten derde laten ze zien dat professionals – sociaal werkers – cruciaal zijn, als ‘bruggenbouwers’ en ‘spil’ tussen overheid en initiatieven. Ten vierde tonen ze aan dat veel burgers ‘overvraagd’ zijn, en de laatste maanden minder actief (kunnen) zijn. Dat alles betekent dat burgerinitiatieven niet zomaar als ‘vervanging’ van de verzorgingsstaat opereren, maar meer aanvullend zijn. En dat het duurzaam laten werken van maatschappelijk initiatief om de nodige randvoorwaarden vraagt: informele contacten, maatwerk, eigenaarschap, passende verwachtingen.

#Hoe dan? Contact maken tijdens Corona

Op grond van hun paper “Op de tast. Over de complexiteit van contact maken tijdens Corona”, onlangs gepubliceerd op Coronapapers.nl, gaan Els van der Pool, lector aan de HAN, en Guido Rijnja, werkzaam bij de RVD, in op het maken van contact tijdens Corona. Of beter, op de lastigheid daarvan. Echt contact maken draait om drie zaken: aanspreekbaarheid, wederzijdse welwillendheid, en gedeelde spelregels. Vanwege de onzichtbaarheid van het virus, de schaal van de pandemie en het ongewisse verloop ervan, is het moeilijk om die zaken overeind te houden. Dat roept de vraag op hoe we daar desondanks aan kunnen werken. Els en Guido bespreken meerdere ‘contactsleutels’, die dat kunnen stimuleren. Denk daarbij aan actieve openbaarheid, het opdiepen van en aanspreken op waarden, en toegankelijke taal. Contact maken wordt dan een kwestie van waarderen, in de zin van zowel waarden centraal stellen, als de ander appreciëren. Daarover willen Els en Guido overigens zelf graag ook met u in contact komen!

De kracht van verbeelding. Over het gemis aan rituelen tijdens Corona

Marcel Barnard, hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit, gaat in op de liturgie van de anderhalvemetersamenleving – op de rituelen en symbolen die sinds Corona onder druk staan, en de nieuwe rituelen die gevormd worden, en vooral het gebrek aan richtinggevende rituelen, zeker in de onlinewereld waarin we terecht gekomen zijn. De bestrijding van het Corona-virus grijpt sterk in op rituelen die onze dagelijkse orde vestigen en legitimeren. Rituelen zijn de vaste handelingspatronen die onze maatschappelijke orde vormen en versterken, vol van symbolen en symbooltaal. Dat varieert van etentjes, verjaardagen, afstudeerfeestjes, via trouwerijen, tot 4 en 5 mei en Prinsjesdag. Dergelijke vaste handelingen (bijvoorbeeld: 3e dinsdag in september, Koning en Koningin op weg naar de Ridderzaal, troonrede), de bijbehorende symbolen (Gouden Koets, hoeden), en symbooltaal (“leve de Koning”) maken wie we zijn. Ze legitimeren onze orde, bijvoorbeeld onze parlementaire orde, ze engageren, ze herbevestigen draagvlak, en ze verbeelden. Ze bepalen wie we zijn, onze identiteit. Ze drukken tevens idealen en dromen uit, zoals die van een krachtige parlementaire democratie en constitutionele monarchie. Met de strikte Corona-regels staan worden dergelijke rituelen ons ontnomen, zowel in het groot als in het klein, in het persoonlijke leven. Ofschoon de politiek nieuwe symbolen en symbooltaal is gaan gebruiken, zoals de beeldspraak tijdens de persconferenties van de minister-president en de minister van VWS – ‘dashboard’, ‘achteruitkijkspiegel’ – missen deze nieuwe rituelen de kracht van de rituelen die onderdrukt worden. Ze verbeelden weinig, ze impliceren geen ideaal, geen ‘promised land’. De tegenstemmen, zoals Viruswaarheid en antivaxers, gebruiken hun eigen symbolen, maar die staan los van de werkelijkheid, en ze ondergraven de sociale orde. In de nu dominerende onlinewereld wordt dit gemis aan engagement en verbeelding versterkt. Het ontbreken van het fysieke contact is onbevredigend. Paradoxalerwijs laat de minister-president en de ministerraad dat zelf zien: ministers komen bij elkaar, er zijn ontmoetingen op het Catshuis, de persconferenties zijn live. Dat bewijst het belang van werkelijke connecties, of het nu een persconferentie of een (digi)borrel betreft. Dankzij Corona is dit besef groter dan ooit

Een solidariteitsvirus? Over de waarde van burgercollectieven in en na Corona

Tine de Moor en Ton Duffhues van de Rotterdam School of Management (RSM), Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), zetten op basis van hun Coronapaper uiteen wat burgercollectieven betekenen ten tijde van de Corona-crisis, maar vooral ook wat ze de komende jaren kunnen betekenen voor onze omgang met maatschappelijke vraagstukken. Burgercollectieven zijn geïnstitutionaliseerde samenwerkingsverbanden tussen burgers, waarbij ze goederen, diensten en materialen beheren, gebruiken en/of maken. Denk aan zorgzame gemeenschappen, wooncollectieven, zorgcoöperaties, herenboeren, heideboeren, energiecoöperaties, werknemer coöperaties, broodfondsen (bijv. voor zzp’ers), voedselcollectieven, en dergelijke. Met die verbanden kunnen zorg, werken, wonen, natuur, voeding op eigentijdse wijzen worden georganiseerd, met nadruk op kortere productieketens, natuurbeheer, combinaties van zorg en wonen, en ga zo maar door. In een verkennend opinieonderzoek hebben Tine en Ton geanalyseerd op welke wijzen zulke collectieven ten tijde van Corona al dan niet als waardevol worden gezien. Het blijkt dat ze goed passen bij een opkomend narratief, waarin gemeenschappen, korte ketens en coöperatieve modellen centraal staan (in plaats van globalisering, marktwerking, neoliberalisering). Tine & Ton hebben vervolgens via een gedachtenexperiment verkend hoe dat op langere termijn uitpakt, met nadruk op wonen, werken en voeding. Het blijkt dat de ‘instituties voor collectieve actie’ blijvend kunnen bijdragen aan andere inrichtingen van zorg en welzijn, bedrijven en werk, en voedselproductie en consumptie. Dat neemt niet weg dat meer ‘citizen-based governance’ lastig te realiseren is, zeker als de overheid actief is: de overheid kent vaak meer sectorale dan integrale visies; regels zijn vaak strikt en weinig flexibel; de overheid richt zich eerder op de korte dan de lange termijn. Dit vraagt om nieuw samenspel tussen burger(collectief) en overheid, met vertrouwen in de professionaliteit van collectieven en goede inpassing in beleid. Als dat lukt, dan komen we versterkt uit deze crisis, en dan kunnen we volgende crises met solidariteit te lijf. Van Coronavirus naar solidariteitsvirus, dus.

Veiligheidsregio’s van hulp- naar hoofdstructuur: Regionale verschillen verklaard

In de tweede video van VB Corona Colleges (VB-CC) gaan Caspar van den Berg, hoogleraar Global and Local Governance aan de Campus Fryslân van de RUG, en Sofie Dreef, senior consultant bij Berenschot en promovenda bij de Campus Fryslân, aan de hand van hun paper “Regionaal bestuur tijdens de Corona crisis” in op de regionale aanpak van Corona. Eerst maken zij de balans op: hoe ligt de regio er nu bij, aan het einde van Rutte III, een kabinet dat de samenwerking met de regio wilde versterken? Hun oordeel is genuanceerd: in sommige gevallen werkte de regio goed, zoals bij de regiodeals of regionale energiestrategieën, maar in andere gevallen bestaan er nog vooral uitdagingen, zoals in het dossier stikstof, of als het gaat om weinig effectieve dan wel weinig (democratisch) verankerde samenwerkingen en/of partnerships. De grootse impuls voor de versterking van regio’s was evenwel onverwacht: de Corona-crisis. Die heeft de veiligheidsregio van hulp- naar hoofdstructuur omgevormd. Gedurende de Corona-aanpak is er afhankelijk van de fase meer of minder regionale differentiatie mogelijk geweest; dat voltrok zich in golven. Caspar en Sofie laten zien hoe de nadruk tussen maart en december 2020 soms meer op landelijke maatregelen lag, inclusief landelijke lock downs, en dat soms meer regionale regie en ruimte mogelijk bleek. Ook in geval van strikte landelijke maatregelen, kon er sprake zijn van regionale afwijking, onder regie van de veiligheidsregio. Denk aan de beperking van het aantal mensen in een binnenruimte tot 30 personen, waar veiligheidsregio’s onder de noemer van ‘groot regionaal belang’ van af konden wijken. Maar Caspar en Sofie tonen aan dat de regionale differentiatie al met al beperkt is geweest, vooral gelinkt aan gebied-specifieke kenmerken. Daarbij kun je denken aan de regionale economische infrastructuur (nertsenfokkerijen in de regio, bijvoorbeeld, of Schiphol?), wel/geen studentenstad, veel/weinig recreatie, culturele tradities (Sint-Maarten, bijvoorbeeld, of carbid schieten?), wel/geen grensregio? De verklaring voor de beperkte differentiatie is drieledig: 1) regionale verschillen leiden tot onduidelijkheid voor burgers en bedrijven; 2) het versterkt de vrees voor het ‘waterbed-effect’ (problemen verschuiven naar elders); 3) het is financieel-economisch riskant, omdat er claims bij decentrale overheden neergelegd kunnen worden. Tot slot verkennen ze de maatschappelijke en culturele inbedding van de regio. Want de verschillen kunnen ook door dieperliggende factoren worden verklaard: de regionale tradities, gebruiken, ideologische overtuigingen. Maar daar is nog meer onderzoek voor nodig, en wellicht een volgend Coronapapers.nl paper.

Regionale Aanpak van Corona: Decentralisatie of Discriminatie?!

In de eerste aflevering van de VB Corona Colleges een van de trekkers van www.coronapapers.nl, prof. Geerten Boogaard, hoogleraar Decentrale overheden aan de juridische faculteit van de Universiteit Leiden. Aan de hand van zijn corona.nl paper “Verschil in verhoudingen” en het onderzoek dat daarmee verbonden is, gaat Geerten in op de rol van regio’s in de aanpak van de Corona-crisis. Hij analyseert of en in hoeverre er regionale verschillen bestaan, en of zulke verschillen te rechtvaardigen zijn. Ofschoon er duidelijke argumenten bestaan voor regionale differentiatie, zoals maatwerk en autonomie, kunnen de verschillen tevens leiden tot juridisch en maatschappelijk ongewenste uitkomsten. Op basis van onderzoek laat Geerten zien dat er verschillen ontstonden, bijvoorbeeld als het ging om handhaving, naast allerlei procedurele kwesties, maar dat het aantal afwijkingen meeviel, en dat er afstemming tussen regio’s plaatsvond. Dat betekent niet dat de Corona-aanpak dan maar geüniformeerd moet worden, want het decentraal afwegen en afstemmen, en dan tot ‘eenheid’ komen, creëert eigenaarschap en legitimiteit op regionaal niveau. Geerten laat verder zien dat de regionale aanpakken institutionaliseren, via het veiligheidsberaad en via zogenoemde digitale regionale democratie. Ook dat versterkt de kracht van regio’s, en biedt kansen.

s2Member®