‘Wat het nieuwe kabinet zich moet realiseren’ – Dialogen tussen wetenschap en bestuurspraktijk

 

Tussen de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart en Prinsjesdag 2017 organiseerde de VB in samenwerking met de Vereniging voor OverheidsManagement (VOM) de tour ‘Wat het nieuwe kabinet zich moet realiseren’. Een reeks van evenementen in samenwerking met verschillende overheidsorganisaties en kennisinstellingen. Wetenschappers gingen in gesprek met overheidsprofessionals, bestuurders en aanwezigen over de uitdagingen die het nieuwe kabinet te wachten staan op thema's als: 'onze steden', 'nieuwe maatschappelijke scheidslijnen', 'diversiteit', 'multiprobleemgezinnen', 'framing en 'post-truth’ politiek’.

De belangrijkste inzichten uit deze agenda-zettende dialogen worden weergegeven in een essay, dat later dit jaar zal verschijnen (ook hier op de website).

...In dialoog dineren op weg naar een lokaal antwoord op de i-samenleving, maandag 24 april te Utrecht.

Het is een niet verrassend feit; de impact van technologische ontwikkelingen is ver doorgedrongen in de samenleving. Er is sprake van een nieuwe tijdgeest. Daarom moeten we op zoek naar een nieuwe invulling en vormen van collectiviteit en solidariteit. In interactie met wetenschappers, topmanagers, bestuurders en studenten werd verkend welke nieuwe denk- én werkroutes voor de i-samenleving mogelijk zijn. De diner-bijeenkomst was primair bedoeld voor genodigden (en een aantal open plekken voor in het bijzonder studenten). Deze dialoog vormde de aftrap van de tour en werd georganiseerd in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten (KING) in het kader van het actieprogramma van de Digitale Agenda 2020.

De eerste inzichten uit deze agenda-zettende dialoog werden door Maike Popma en Geert-Jan Bruinier weergegeven in een essay ‘Niet meer experimenteren maar debatteren’ van dat op PlatformO is verschenen.

...Onze steden, woensdag 3 mei te Utrecht.

De tweede bijeenkomst in de reeks debatten vond plaats in de senaatszaal van de Universiteit Utrecht ‘. Onder leiding van Paul ‘t Hart gingen drie wetenschappers de dialoog aan met Job Cohen en Bert van Delden over grotestedenproblematiek, stedelijke transities, smart cities en het verschil tussen stad en land, oftewel: wat het nieuwe kabinet zich moet realiseren over onze steden.

De eerste wetenschapper die het woord neemt is historicus Maarten Prak. De expertise van Prak ligt op het gebied van de ontwikkeling van burgerschap in stedelijke gebieden. De stad en het hedendaagse bestuur van de stad valt niet te vatten zonder deze in historisch perspectief te plaatsen, opent hij. Nederland kende tijdens de tijd van de Republiek sterk lokaal bestuur. Het Franse gezag reduceerde dat lokale bestuur tot zogezegd ‘blotelijk administratieve lichamen’ en transformeerde en exporteerde de macht naar Den Haag. Maar nu het vertrouwen in nationale overheden onder druk staat, is het tijd om macht en bevoegdheid weer meer bij de lokale overheid te leggen. Prak beseft dat dit een grote stap gaat worden met veel onzekerheden, maar dat we het bestaande moeten loslaten om te komen tot een toekomstbestendige relatie tussen overheid en burger.’

‘Nu het vertrouwen in nationale overheden onder druk staat, is het tijd om macht en bevoegdheid meer bij de lokale overheid te leggen’

Na Prak neemt Pieter Hooimeijer het woord. Hooimeijer is geograaf en verbonden aan het Institutions for Open Societies (IOS), mede-organisator van de dialoog. Hij gelooft niet zo in een versterkt lokaal bestuur als oplossing voor de tanende legitimiteit van de overheid. Gemeenten kunnen de verantwoordelijkheid van de drie decentralisaties van 2015 al nauwelijks aan. Wel is Hooimeijer het eens met Prak dat nationale overheden niet meer de centrale actor van weleer zijn die de concurrentie met elkaar aangaan in het internationale speelveld. Metropoolregio’s zijn de spelers op het wereldtoneel en vanuit die wetenschap moet het nieuwe kabinet aan de slag gaan.

Als laatste van de drie wetenschappers krijgt Maarten Hajer het woord. Hajer is politicoloog en onderzoekt de toekomst van de stad. ‘Maar hoe bedrijf je wetenschap over iets dat je niet weet, omdat het nog niet bestaat’, vraagt hij aan de zaal. ‘De mens zoekt naar zekerheid en vastigheid in het verleden, want het kan het heden nog maar nauwelijks aan. Laat staan dat de mens met een vrije geest de toekomst tegemoet ziet.’ Volgens Hajer moet de stad niet worden gezien als een natuurlijk verschijnsel, maar als iets dat beleidsmatig is gevormd. Vanuit die optiek vallen problemen die zich voordoen ook een stuk beter te begrijpen. Door het beleid om van vastgoed een handelswaar te maken, zijn binnensteden onbetaalbaar geraakt en is leegstand rendabel geworden. Dit laatste noemt hij de affordability crisis.

Na de drie keynotes van de wetenschappers roept Paul ‘t Hart  Job Cohen en Bert van Delden naar voren. Cohen kennen we nog als oud-burgemeester van Amsterdam en oud-partijleider van de PvdA. Hij neemt voor de gelegenheid de rol van minister van Binnenlandse Zaken op zich. Van Delden is directeur Agenda Stad aan hetzelfde ministerie en vertegenwoordigt de beleidskant.

Volgens Van Delden gaat Den Haag in toenemende mate over steeds minder. Bevoegdheden verschuiven enerzijds naar Europa en anderzijds naar gemeenten. Toch houdt het rijk halsstarrig vast aan het monopolie op het innen van belastingen en krijgen pilots om te experimenteren met andere vormen van gemeentelijke inkomsten nog te weinig de ruimte. Volgens Van Delden zou het een goed begin zijn om koplopers op dit gebied meer in het zonnetje te plaatsen om innovatie te bevorderen. Daarin ligt de toegevoegde waarde voor de rijksoverheid en met dit concrete advies kan het kabinet aan de slag.

Het woord is aan ‘de minister’. Alsof het een waar kamerdebat betreft geeft Paul ‘t Hart met deze woorden de beurt aan de gelegenheidsminister. Cohen kan zich vinden in de woorden van zijn voorgangers over meer decentraal gezag, maar geeft aan dat daar niet de prioriteit zou moeten liggen. Meer of minder bevoegdheid voor de ene of de andere bestuurslaag lost geen fundamenteel probleem op als er niet eerst kritisch gekeken wordt naar hoe het huidige stelsel werkt. ‘Ons juridische stelsel loopt achter op de situatie die is ontstaan sinds de decentralisaties. Eerst moeten er een flinke juridische herinrichting plaatsvinden voor we verder kunnen decentraliseren.’

Verder geeft hij de zaal mee dat hij niet snapt dat het woord veiligheid nog niet gevallen is, omdat een leefbare stad begint bij een veilige leefomgeving. Cohen sluit zich aan bij de woorden van Prak: zo lokaal mogelijk bestuur bijdraagt aan de veiligheid. In zijn tijd als burgemeester van Amsterdam werkten de gedecentraliseerde stadsdeelbesturen als haarvaten van de samenleving om potentiële spanningen, bijvoorbeeld rond het verschijnen van Fitna in 2008, snel in kaart te brengen.

De avond wordt afgesloten met een vragenronde van de zaal voor de gasten. Masterstudent Tjeerd Kruijt is benieuwd wat Job Cohen voor aanpak voorstelt voor de onbetaalbare stad die ontstaat door de affordability crisis. Cohen antwoordt dat hij het kabinet wil meegeven dat steden de ruimte moeten zoeken om uit te breiden. Het verdichten van stadscentra heeft deze onbetaalbaar gemaakt en daarom moet er creatief omgesprongen worden met de omgeving. Zandvoort omdopen tot Amsterdam Beach is hier een goed voorbeeld van; door de omgeving te benutten hoeft er geen sociale woningbouw meer plaats te maken voor dure hoogbouw. Tegen tienen waren allen het er over eens dat het kabinet een hoop moet realiseren wanneer het aankomt op onze steden. Meer lokaal, maar zonder roekeloos te decentraliseren.

...Ondermijnende criminaliteit’, woensdag 7 juni te Den Haag.

Op het ministerie van Binnenlandse Zaken gingen journalist Jan Tromp, wetenschapper Martijn van der Steen, stadmarinier Marcel van der Ven en officier van justitie Henk Peeters in dialoog. Onder leiding van Van der Steen (Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, NSOB) werd gesproken over de verwevenheid van boven- en onderwereld, beleidstoerisme en parallelle samenlevingen.

Lennart Huurman schreef een verslag van de bijeenkomst, dat op PlatformO is verschenen.

...Ondermijnende criminaliteit, woensdag 7 juni te Den Haag.

Op het ministerie van Binnenlandse Zaken gingen journalist Jan Tromp, wetenschapper Martijn van der Steen, stadmarinier Marcel van der Ven en officier van justitie Henk Peeters in dialoog. Onder leiding van Van der Steen (Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, NSOB) werd gesproken over de verwevenheid van boven- en onderwereld, beleidstoerisme en parallelle samenlevingen.

Lennart Huurman schreef een verslag van de bijeenkomst, dat op PlatformO is verschenen.

...De Sturing van onze (digitale) Publieke Informatie-omgeving, 15 juni te Den Haag.

De publieke ruimte staat onder druk. Onder druk van statelijke actoren die proberen informatie te manipuleren en strategisch te openbaren, en onder druk van de informatiemacht van grote internetbedrijven en platforms. Kunnen we er nog wel op vertrouwen dat het publieke debat op een ‘level playing field’ wordt gevoerd? We hebben kennis gemaakt met een ‘post truth’ wereld van alternatieve feiten, embedded journalism, mega-lekken, en cyber-operaties.

De WRR en andere expertise-centra analyseren hoe deze krachten onze informatieomgeving beïnvloeden en wat voor consequenties. Tijdens deze sessie werden hun (voorlopige) bevindingen gepresenteerd en vervolgens gingen oud-minister Winnie Sorgdrager (Raad van State) en AIVD-hoofd Rob Bertholee het debat met de academische inleiders aan over de vraag hoe overheid hiermee kan omgaan.

...Frames, feiten en alternatieve feiten, 15 juni Den Haag.

VB-bestuurslid Hans de Bruijn organiseert deze sessie in samenwerking met TU Delft. In de huidige politieke cultuur lijkt het er vaak op dat frames het winnen van de feiten. Dat het oude Verlichtingsideaal ten grave is gedragen: we leven in onze bubble, er bestaan ‘alternatieve feiten’, beleid komt soms fact-free tot stand, wetenschappelijke inzichten worden soms afgedaan als slechts een mening.

...Hoe ga je bestuurlijk om met mondige burgers, maandag 12 juli te Utrecht.

Burgersinitiatieven gericht op de verbetering van wijken, leefomgevingen en sociale omstandigheden bloeien. Regeringen verwelkomen vaak deze activiteiten, en niet alleen vanwege de bezuinigingen. Er is steeds meer overtuiging dat de betrokkenheid van de burgers vaak resulteert in betere oplossingen van lokale problemen en meer steun van de burgers.

Er zijn echter een aantal ernstige vragen en paradoxen in de interacties tussen lokale overheden en burgerinitiatieven. Doelen en belangen tussen de overheid en 'mensen op de straat' kunnen veel verschillen. Bijvoorbeeld, overheden zijn meestal vooral geïnteresseerd in die initiatieven die passen bij bestaande beleidsplannen. De politieke agenda en bestuurlijke regels kunnen de passie en de energie van initiatiefnemers temperen, in plaats van andersom.

Stad en provincie Utrecht en de Vereniging Nederlandse Gemeenten organiseerden samen een bijeenkomst over participatie paradoxen waar de overheid tegenaan loopt bij de ondersteuning van bewoners initiatieven. Onder leiding van Hans Goedhart, gemeentesecretaris van de provincie Utrecht en vice-voorzitter van de VB, werden ervaringen gepresenteerd, waaronder initiatiefcafés, een’transitie lab, privatisering van speelplaatsen en huisvestingscoöperaties.

Sprekers waren Harm van den Heiligenberg, beleidsadviseur innovatie en duurzaamheid van de provincie Utrecht en promovendus aan de Universiteit Utrecht; Rogier van der Wal, strategisch beleidsadviseur bij de VNG; Tabo Goudswaard van Studio Goudswaard; Ilhan Tekir, financieel adviseur gemeente Utrecht en Karin Visser van het Kenniscentrum Participatie en Initiatief.

Zij gingen met elkaar en met het publiek in gesprek over het overbruggen van de ambtelijke systeemwereld en de leefwereld van burgers, oftewel het verschil tussen een aanbodgerichte aanpak en een vraaggerichte aanpak. Gesproken werd over vragen als: Zijn lokale overheden echt in staat om de initiatieven van de gemeenschap te ondersteunen? En hoe gaan we om initiatieven die in strijd zijn met andere publieke beginselen, zoals rechtsgelijkheid, democratische legitimatie en diversiteit? Hoe proberen we oplossingen te vinden voor de oververtegenwoordiging van specifieke maatschappelijke groepen onder participatie en initiatieven? En het feit dat vaak dezelfde actieve personen hun stem laten horen?