Criminele organisaties en organisatiecriminaliteit zijn verschillende fenomenen.  Tegelijkertijd hebben ze meer met elkaar gemeen dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Vandaar ook dat beide vormen van misdaad in één themanummer van Cahiers Politiestudies aan de orde komen.[1] Misdrijven die in het ene land door criminele organisaties worden gepleegd – afvaldumping door de Maffia bijvoorbeeld – zijn in andere landen ‘bijproduct’ van overigens legale bedrijfsvoering (p.17). Het belangrijkste – maar toch betrekkelijke – onderscheid is dan ook dat criminele organisaties misdaad als doel hebben, terwijl het in het geval van organisatiecriminaliteit een neveneffect van legaal ondernemerschap is (p.26).

Deze typen criminaliteit zijn moeilijk zichtbaar en bewijsbaar. Mede daardoor hebben ze lang niet altijd de hoogste prioriteit in de opsporing. Dat maakt dit themanummer des te interessanter.  Eerst wordt nader uitgewerkt waarin organisatiecriminaliteit en criminele organisaties van elkaar verschillen en waar ze elkaar raken. Klassieke thema’s – zoals de vraag hoe georganiseerd de georganiseerde misdaad werkelijk is – passeren de revue. Daarna volgt een aantal empirisch getinte artikelen die laten zien hoe divers deze criminele verschijnselen kunnen zijn: belastingfraude, criminele kartels, uitwassen in de prostitutie. En zelfs terrorisme: Gosselin (p. 99 – 135) toont in een van de opvallendste bijdragen hoezeer terreurgroepen en georganiseerde misdaad naar elkaar toegroeien en daar baat bij hebben

Dat we toch niet lijdzaam hoeven toe te zien hoe criminele organisaties de macht overnemen, blijkt in de laatste drie artikelen. Strafrecht, bestuursrecht en moderne technieken als datamining blijken wel degelijk mogelijkheden te bieden om ons te beschermen. Hun inzet is tegelijkertijd niet zonder risico’s, zoals menig bedreigde bestuurder inmiddels heeft ervaren (p. 163).
Een belangrijke les uit dit nummer van Cahiers is de poreusheid van de grenzen tussen goed en fout. Fiscale constructies kunnen maar al te gemakkelijk in fiscale fraude ontaarden. Prostitutie mag dan – in Nederland en België – gelegaliseerd zijn dat sluit grote invloed van de georganiseerde misdaad allerminst uit. Op het oog keurige bedrijven blijken zaken te doen met criminele groepen of gaan plotseling te gronde aan megafraude a la Madoff of Enron. Kortom: legaal en crimineel ondernemerschap vallen lang niet altijd scherp te onderscheiden.

Belangrijk is ook de constatering dat het hier om criminele fenomenen met een vaak grote maatschappelijke impact gaat. Maar ook om fenomenen die vaak zo complex en zo moeilijk zichtbaar zijn dat alleen gerichte en intensieve opsporing ze aan het licht brengt.  Daar heeft het volgens de auteurs nogal eens aan ontbroken. Zie daar het nut van dit lezenswaardige themanummer.

[1] Besproken studie: Antoinette Verhage, Ann Jorissen, Ruth Prins, Jelle Jaspers (red.), Criminele organisaties en organisatiecriminaliteit. Cahiers Politiestudies, jaargang 2016-2, no. 39.

Over de auteur

Lex Cachet studeerde Sociologie aan de UvA en promoveerde in Leiden. Hij was, als universitair hoofddocent, verbonden aan de wetenschapsgebieden Sociologie en Bestuurskunde van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij hield en houdt zich vooral bezig met de thema’s politie, veiligheid en lokaal bestuur. Lange tijd was hij gemeenteraadslid in Capelle aan den IJssel. Momenteel is hij actief als bestuurder van een aantal stichtingen.