Onlangs pleitten vijf grote bedrijven, in hun kielzog meer dan 40 bedrijven, in de Volkskrant voor het creëren van een ministerpost voor economie, klimaat en energie voor meer samenhang in het beleid om zodoende echt vaart te maken met de energietransitie [1]. Ook was er recent een discussie of we als Nederland beter gediend zijn met een apart ministerie voor vraagstukken rondom informatie- en communicatietechnologie (ict). Als reactie op deze discussie beargumenteerden Van Loon en Hooghiemstra in een bijdrage op dit platform dat een apart ministerie niet per se iets oplost.

Dit neemt niet weg dat er met enige regelmaat nieuwe ministeries worden opgericht, maar ook weer verdwijnen. Wie herinnert zich bijvoorbeeld nog het ministerie van Jeugd en Gezin, het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk of het ministerie van Oorlog? De vraag die in dit stuk centraal staat is wat nu eigenlijk de opkomst en ondergang van ministeries verklaart.

Vrijwel alle democratieën zijn georganiseerd rond kernthema’s als financiën, onderwijs, buitenlandse zaken, defensie en gezondheid. De meerderheid van die landen kent dus, naast een ministerie van Algemene Zaken, een ministerie van Financiën, Onderwijs, Buitenlandse Zaken, Defensie en Gezondheid of vergelijkbaar. Daarnaast zien we veel variatie op thema’s. Zo heeft Denemarken een minister voor Milieu en Voedsel, Polen een minister van Sport en Toerisme en het Verenigd Koninkrijk een minister van Vrouwen en Gelijkheid (‘Equality’).

Portefeuilleverdeling is belangrijk

 

Uit onderzoek naar de portefeuilleverdeling van kabinetten is bekend dat de verdeling van ministeries belangrijk is voor politieke partijen en dat sommige ministeries belangrijker en prestigieuzer zijn dan andere ministeries [2, 3]. Zo profileert de VVD zich graag op veiligheid en defensie, terwijl een bewindspersoon van D66 – dat zich altijd sterk profileert op onderwijs – niet misstaat als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. En GroenLinks of de PvdA kan wellicht een nieuwe minister voor Economie, Klimaat en Energie leveren, mocht dit verzoek resoneren in politiek Den Haag.

De portefeuilleverdeling is zo belangrijk omdat het al dan niet ‘in bezit hebben’ van een bepaald ministerie macht geeft over specifieke thema’s en de kans vergroot invloed uit te oefenen op het te vormen en implementeren beleid. Het geeft politieke partijen de kans om zich op voor hen relevante thema’s bij de kiezer in de kijker te spelen. Al was de toenmalige minister van Jeugd en Gezin, André Rouvoet (ChristenUnie) een programmaminister – dat wil zeggen: een eigen portefeuille en begroting, maar gebruikmakend van de faciliteiten van VWS en ambtenaren van VWS, Justitie en SZW – het gaf hem de kans zich stevig te bemoeien met voor de ChristenUnie relevante thema’s. Wellicht niet zo prestigieus als Financiën of Buitenlandse Zaken, electoraal gezien wel uiterst effectief.

Coalitiepartijen + algemene politieke agenda = nieuw ministerie?

 

Zoals hierboven beschreven hebben politieke partijen een voorkeur voor bepaalde politieke thema’s. Echter niet al deze voorkeuren worden tijdens de formatie omgezet in nieuwe ministeries – gelukkig maar, want dit brengt ook de nodige bureaucratische rompslomp met zich mee. De uiteindelijke doorslaggevende factor is dan vermoedelijk de algemene politieke aandacht voor een onderwerp. Meer politieke, en daarmee samenhangend maatschappelijke aandacht en urgentie vergroot de kans op een nieuw (programma)ministerie [4].

Kortom: de overheid zal zich zo organiseren dat zij zo optimaal mogelijk aansluit bij de samenstelling van het kabinet en de onderwerpen die politiek het meest in de aandacht staan. Op die manier bekeken is het zo gek niet dat er vijf maanden voor de verkiezingen diverse suggesties voor nieuwe ministeries worden gedaan. Ik ben benieuwd welke ministeries we in de loop van 2017 mogen verwelkomen, en zet mijn geld vooralsnog in op een ministerie van Duurzaamheid, Klimaat en Energie (en een ministerie van Economische Zaken en Infrastructuur).

 

Literatuur

[1] Van der Touw, A. et al. (2016). Nieuwe regering moet van energietransitie prioriteit maken. Volkskrant, opiniebijdrage, 26 oktober. 

[2] Druckman, J.N. & Warwick, P.W. (2005). The missing piece: Measuring portfolio salience in Western European parliamentary democracies. European Journal of Political Research 44:17–42. 

[3] Laver, M.J. & Shepsle, K.A. (1996). Making and breaking governments. Cambridge, MA: Cambridge University Press. 

[4] Mortensen, P.B. & Green-Pedersen, C. (2015). Institutional effects of changes in political attention: Explaining organizational changes in the top bureaucracy. Journal of Public Administration Research and Theory 25(1): 165-189. 

Auteur

Nadine van Engen is werkzaam aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.