Met de recente benoeming van Theresa May als minister-president van Groot-Brittannië is de enorme aandacht in de media rondom de Brexit weer wat gaan liggen. Dit geldt niet voor het bedrijfsleven. Direct na het definitieve nee werd David Cameron ontboden door de CEOs van de grootste ondernemingen van het land. Ze drongen er bij de aftredende regeringsleider op aan om er alles aan te doen de basis waarden van het Europese project in gang te houden, zoals vrijhandel, soepele immigratiewetten, enzovoorts. Bovendien eisten ze van de Britse regering een duidelijk stappenplan voor de onderhandelingen met de EU en forse investeringen in de economie om de effecten van de Brexit te verzachten.

De snelle en intensieve lobby van de Britse bedrijven is niet voor niets aangezien vrijwel elk economisch model voorspelt dat de Brexit economische schade aan Groot-Brittannië zal toebrengen. De enige variatie in de modellen is of de gevolgen beperkt of desastreus zullen zijn en dit is vooral afhankelijk van de hardheid van de Brexit. In hoeverre houden de Britse bedrijven toegang tot de Europese markt? Worden producten nog wel volgens dezelfde standaarden gemaakt en toegelaten? Gelden straks dezelfde normen rondom klimaat, copyright, enzovoorts. Voor veel Britse bedrijven zullen de antwoorden op deze vragen het verschil betekenen tussen overleven of faillissement.

De lobby aan Britse kant is dus al in volle gang gezet en lijkt een belangrijke motor te vormen voor de Britse positie in de onderhandelingen met de EU. Logisch, want zelfs de meest radicale Eurosceptici in Groot-Brittannië hopen toegang tot de Europese markt te behouden. Denk hierbij aan de mooie woorden van Boris Johnson en zelfs Nigel Farange voor Europa direct na de Brexit. Nee, het grootste probleem voor de Britse lobby zit aan de andere kant van het kanaal. Hoe moet de positie van de EU politici beïnvloedt worden? Dit gaat geen gemakkelijke opgave worden om een aantal redenen.

Ten eerste het standpunt van de EU. Terwijl de Britse regering een eenduidig uitgangspunt heeft, is dit voor de EU zeer tweeslachtig. De EU politici zouden een zachte Brexit best willen steunen om de fragiele economische groei van het afgelopen jaar niet in gevaar te brengen. Maar ze zijn tegelijkertijd bang voor de reacties van hun burgers als er weinig economische consequenties zijn verbonden aan de Brexit. U ziet de Eurosceptici als staan op hun zeepkist als er weinig verandert in Groot-Brittannië: waarom zouden we Europa in stand houden als het blijkbaar geen economische voordelen oplevert? En, eerlijk gezegd, ze hebben dan nog een punt ook want economische groei was het centrale argument dat gebruikt werd door het pro-Europa kamp. Als dit argument weg valt, terecht op onterecht, blijft er weinig meer over vrees ik.

Dit ambivalent standpunt levert een lastige positie op voor Britse bedrijven. Normaal is het promoten van economische welvaart hun belangrijkste, en zeer krachtige, troefkaart in de lobby. Normaal zullen weinig politici economische neergang aan kiezers durven verkopen en dit weet het bedrijfsleven vaak handig uit te spelen. Maar hoe lobby je voor een zachte Brexit als het belang van de Europese onderhandelaars niet zozeer economisch is, maar direct aan de toekomst van het Europese project is verbonden?

Dit effect wordt nog eens bemoeilijkt door de enorme media aandacht die er zal zijn voor de uitkomsten van de Brexit. Mochten de onderhandelingen rondom de Brexit enigszins onder de radar plaats vinden is de kans dat de standpunten van lobbyisten, en vooral van economische lobbyisten, hun weerslag vinden in de posities van onderhandelaars het grootst, zo blijkt uit onderzoek. Politici worden in dit geval niet gedwongen overdreven responsief te zijn naar kiezers en leunen dan vaak zwaar op de input van lobbyisten. Dit is echter niet het geval met de camera vol in hun gezicht. Juist onder deze omstandigheden is lobbyen het minst succesvol en zeker voor de bedrijfslobby.

Een ander probleem voor het Britste bedrijfsleven betreft de historie van de Britse lobby in Europa, die hoofdzakelijk via de ‘eigen mensen’ verliep: de Britse regering en Britste diplomaten en bureaucraten werkzaam in Brussel. Deze weg is nu echter gesloten. Het is niet voor niets dat Europese consultancy bureaus sinds de Brexit massaal ingehuurd worden door Britse bedrijven om hun belang te verdedigen. Toch is ook dit niet ideaal voor het Britse bedrijfsleven omdat consultants, ondanks de hoogste salarissen, over het algemeen de minst effectieve lobbyisten in Europa blijken te zijn.

Kortom, de Brexit was voor de Britse bedrijven al een pijnlijk proces maar het ziet er niet naar uit dat ze de schade via een sterke lobby kunnen herstellen. De beste kans die ze hebben, maar het is een sinistere, lijkt het ontstaan van een crisis in Europa op het moment dat de onderhandelingen plaats vinden en vervolgens bekend worden gemaakt. Dan kunnen politici een zachte Brexit ‘stiekem’ langs de kiezers lozen. Die kans lijkt echter uitermate klein omdat de Eurosceptici in Europa alles zullen doen om de schijnwerpers op de onderhandelingen te zetten. Bovendien is de Brexit een dusdanige mijlpaal in de geschiedenis van de Europese Unie dat grote aandacht onvermijdelijk lijkt. Nee, de kans is vele malen groter dat de machtige Britse lobby dit keer het onderspit moeten delven tegen de stem van het volk. Wie had dat ooit gedacht.