Nederland is binnen Europa een van de weinige landen waar burgemeesters niet worden gekozen maar benoemd. Eens in de zoveel tijd laait de discussie rond de aanstellingswijze van onze burgemeesters op. Zo ook nu, en het blijft niet alleen bij woorden.

In 2013 zette het parlement de eerste stap naar deconstitutionalisering van de kroonbenoeming van de burgemeester. Dat betekent zoveel als het schrappen van de aanstellingswijze van de burgemeester uit de Grondwet. De Grondwet schrijft namelijk voor dat de Kroon, nu de koning, de burgemeester benoemt. Om deze passage te wijzigen, moeten de Tweede en Eerste kamer hun instemming verlenen (eerste lezing). Na de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezingen moeten beide kamers wederom instemmen (tweede lezing). Pas dan is de weg vrij voor alternatieve wijzen van aanstellen van de burgemeester.

Nu het wetsvoorstel tot deconstitutionalisering van de kroonbenoeming in eerste lezing is aangenomen én de verkiezingen van 2017 in aantocht zijn, is de discussie over alternatieve aanstellingsvormen wederom losgebarsten. Verschillende smaken passeren de revue, waaronder rechtstreekse verkiezing door de burger en verkiezing door de gemeenteraad. De Raad voor het Openbaar Bestuur voegde daar onlangs een nieuwe smaak aan toe; laat de gemeenteraden in Nederland bepalen of ze hun burgemeester zelf kiezen of directe verkiezingen uitschrijven (ROB, 2016).

In de discussie over de aanstellingswijze van de burgemeester komt steevast het veiligheidsargument naar voren. Dat heeft alles te maken met het feit dat Nederlandse burgemeesters verantwoordelijkheid dragen voor openbare orde en veiligheid. Dit is het geval sinds de eerste gemeentewet uit 1851. Het gaat hier om een eigenstandige verantwoordelijkheid die de burgemeester draagt als zelfstandig bestuursorgaan en daarom niet deelt met het College van Burgemeester en Wethouders.

Om orde en veiligheid te waarborgen in een veranderende samenleving met nieuwe veiligheidsproblemen, zijn burgemeesters de afgelopen jaren toegerust met meer bevoegdheden. Zo kunnen ze daders van huiselijk geweld een periode uit huis plaatsen (Wet Tijdelijk Huisverbod), groepen overlastgevers een gebiedsverbod opleggen (Voetbalwet) of vergunningen intrekken wanneer de ontvanger deze inzet voor illegale doeleinden (Wet BIBOB). Ook hebben Nederlandse burgemeesters gezag over de politie, wat inhoudt dat ze de prioriteiten en activiteiten van de politie kunnen aansturen.

Het komt er dus op neer dat Nederlandse burgemeesters bevoegdheden bezitten die soms tot ver achter de voordeur reiken alsook raken aan basisrechten van de burger. Deze stevige bevoegdheden zijn juist bij de burgemeester neergelegd omdat hij/zij als neutrale speler kan opereren binnen de lokale democratie. De burgemeester wordt immers geacht boven de partijen te staan. Keer op keer wordt door ambtsdragers en academici geconstateerd dat de kracht van het Nederlandse burgemeesterschap ligt in de onafhankelijke positie (o.a. Karsten et al, 2014).

Wanneer we de burgemeester niet langer benoemen maar kiezen, wordt het ambt in rap tempo politieker. Verkiezingsprogramma’s en politieke kleur zullen een grotere rol gaan een spelen in strijd om het mandaat van de kiezer. Vanuit democratisch oogpunt een interessante geachte. Het zou het burgemeestersambt meer responsief kunnen maken. Bovendien zou, hypothetisch gezien, iedereen met voldoende steun van de inwoners dan wel de gemeenteraad het tot burgemeester kunnen schoppen. Zo ook de voetbalmoeder of kroegbaas en waarom ook niet? Dat is democratie.

Wanneer deconstitutionalisering van de kroonbenoeming ook in tweede lezing wordt aangenomen, dan zal de positie van de burgemeester in de politieke en maatschappelijke arena flink veranderen. In het bijzonder roept het vragen op rond de burgemeester als handhaver van lokale orde en veiligheid. Bij directe verkiezing kan, om bij het voorbeeld te blijven, de kroegbaas verkozen worden tot burgemeester. Met de huidige invulling van het ambt betekent dat ook dat deze nieuw gekozen eerste burger de politie kan aansturen en beschikt over een arsenaal van verregaande bevoegdheden. Een van mijn studenten omschreef dit scenario ooit gekscherend als ‘Schwarzeneggerizaton’ van het burgemeestersambt.

Moraal van dit verhaal is niet dat kroegbazen geen goede burgemeester kunnen zijn. Mijn boodschap is wel dat overgaan tot burgemeestersverkiezingen, zeker in de meest directe variant, ons voor een belangrijke keuze stelt; Zijn we bereid om de handhaving van lokale orde en veiligheid over te dragen aan wie dan ook het tot burgemeester schopt? Is het antwoord op die vraag ‘ja’, dan accepteren dat de inzet van politie en veiligheidsmaatregelen meer dan nu onderhevig zal zijn aan politieke tendensen. Wanneer het antwoord ‘nee’ luidt, dan moeten we niet alleen sleutelen aan de aanstellingswijze maar óók de invulling van het burgemeestersambt nader bezien. Een blik over de grens kan inspiratie bieden voor alternatieve, bestuurlijke constructies rond lokaal bestuur en veiligheid.

 

Literatuur

Karsten, N., L. Schaap, F. Hendriks, S. van Zuydam en G.J. Leenknecht (2014) Majesteitelijk en magistratelijk: de Nederlandse burgemeester en de staat van het ambt. Den Haag: Min BZK.

Raad voor het Openbaar Bestuur (2016) Begin bij het begin. Advies over de rol, positie en aanstellingswijze van burgemeesters. Den Haag: ROB.