In deze caleidoscoop blikken we terug op de recente aanslagen in Brussel. Nu de eerste mediaberichtgeving rondom de aanslag is geluwd, is het tijd voor een aantal diepgaande vragen over de gevolgen van de aanslagen in Brussel, eerder in Istanbul, Parijs, Londen, Madrid, en al die andere plaatsen op de wereld die vaak onbenoemd blijven. We hebben daarbij bewust een paar weken voorbij laten gaan om vanuit een governance perspectief de Brusselse (en andere) aanslagen te kunnen duiden. We benoemen daarbij een aantal dilemma’s in de relatie tussen transparantie en de aanpak van terrorisme (Erna Ruijer), analyseren de irrationaliteit in de aanpak van terrorisme (Marcel Hanegraaff). En we stellen cruciale vragen zoals: Wat zijn de hindernissen in een effectieve aanpak van terrorisme (Ruth Prins)? En hoe bereik je juist die doelgroepen in de samenleving die niet op de overheidsradar kunnen of willen komen (Caelesta Braun)?  De verschillende bijdragen bieden ieder een eigen perspectief op de aanpak en benadering van terrorisme. Een ding hebben ze in hun diversiteit gemeen: ze roepen op tot nadenken over hele essentiële (en soms meer algemene) governance vraagstukken om de kracht van onze democratische rechtstaat te bewaren (en in ere te herstellen wellicht). Zoals Cas Mudde daags na de aanslagen in Brussel treffend opmerkte: “We have to look inward, rather than only outward, see the problems in ‘them’ and ‘us,’ and realize that a liberal democracy can only thrive if people trust the political system and each other” Effectieve én legitieme governance maakt daar een cruciaal onderdeel van uit. We leveren via deze caleidoscoop een bijdrage aan het nadenken daarover.

 

 

Over paradoxen, dilemma’s en transparantiezucht

Erna Ruijer

Door de aanslagen in Brussel stonden de veiligheidsdiensten de afgelopen twee weken weer in de “spotlight”. Krantenkoppen als “Kamer: laat Europese geheime diensten beter samenwerken” (Volkskrant 29 maart) en “De lekke Europese veiligheidsparaplu”  (NRC, 26 mrt) kwamen voorbij. Bedreiging van de rechtstaat door terrorisme dient bestreden te worden en de veiligheidsdiensten spelen hierin een essentiële rol. Deze diensten dienen de democratie en moeten de vrijheid van staat en burgers beschermen tegen terrorisme, buitenlandse dreiging en binnenlandse ondermijning.

Maar nog niet zo heel lang geleden stonden dezelfde veiligheidsdiensten in de belangstelling door de onthullingen van Snowden over de afluisterpraktijken van de NSA. De discussie was toen dat juist door de veiligheidsdiensten en hun bijzondere bevoegdheden de fundamentele vrijheden van burgers op het spel stonden. Met als gevolg een roep om transparantie als remedie voor buitenproportionele inmenging van de overheid in het privéleven van haar burgers.

Interessant in het licht van deze ogenschijnlijke tegenstelling is het onlangs verschenen boek van Paul Frissen Het geheim van de laatste Staat. Kritiek van de Transparantie. Voor zijn onderzoek sprak Frissen met 23 medewerkers van geheime diensten en andere betrokkenen. Binnen deze context schets Frissen hoe transparantie en geheim ingewikkeld met elkaar verweven zijn. Transparantie is noodzakelijk om democratische controle uit te oefenen, voor vitale checks and balances. De burger verwacht transparantie van de staat. Dat de transparantiezucht doorgedrongen is in alle domeinen, is volgens Frissen een kenmerk van de postmoderne samenleving met haar utopie van een betere wereld. Volgens Frissen is transparantie niet alleen positief, ze kan ook leiden tot gelijkschakeling, eenvormigheid en totalitair gevaar.

Om de vrijheid van de burger te beschermen heeft de staat dan ook geheimen nodig, aldus Frissen. Recht en vrijheid veronderstellen geheimhouding over handelingen die nodig zijn om ondermijning van recht en vrijheid tegen te gaan. “Zonder geheimen is de burger niet vrij, en zonder geheimhouding kan de staat de vrijheid van de burger niet beschermen.” Het is volgens Frissen dan ook productiever om te denken in termen van dilemma’s en paradoxen dan in tegenstellingen.

Volgens Frissen gaat het in het denken over bijzondere bevoegdheden die aan de staat toekomen als het gaat om de bestrijding van terreur dan ook om de vraag naar het “minste kwaad”. Bij dilemma’s gaat het over keuzen tussen twee onaantrekkelijke alternatieven die gegeven de context als het minst kwaad moet worden gezien. Om terreur te voorkomen en bestrijden moet het volgens Frissen aan de staat zijn toegestaan de grenzen van de rechtstaat op te zoeken, maar moeten deze bijzondere bevoegdheden wel worden begrensd.

Frissen biedt met zijn politieke-filosofische perspectief op de paradox van geheimen en de vrijheid van burgers een verfrissende blik. In zijn “kleine antropologie van het staatsgeheim” schetst hij wat de betekenis is van geheimen en geheimhouden in de wereld van de geheime dienst. Het is een wereld van “binnenvetters”, van “transparante geheimhouding” en “nodeloze geheimzinnigheid”.  Een wereld waar samenwerking met buitenlandse diensten notoir moeizaam is en waar een traditionele cultuur van achterdocht geldt: ‘er bestaan geen bevriende diensten, net als dat er geen bevriende landen zijn’, er zijn alleen tijdelijk geen vijanden.

Terwijl Europa een volgende aanslag vreest, zal het debat voorlopig niet verstommen. De roep om transparantie en bescherming van privacy zal variëren met de mate waarin de burger zich bedreigd voelt door een te machtige staat, of door krachten die de staat ondermijnen. Vrijheid dankzij transparantie als bescherming tegen de staat zelf en vrijheid ondanks transparantie bij bedreiging van buitenaf.

 

 

Een rationele houding ten opzichte van terreur

 Marcel Hanegraaff

 In de afgelopen maanden is in met name België het toonbeeld geworden van falend beleid ten opzichte van terrorisme bestrijding. In de internationale media wordt het land bestempeld als ‘falende staat’ (Politico) tot een ‘broeinest van radicalisme’ (CNN), en van een ‘terroristisch paradijs’ (Der Spiegel) tot ‘Belgistan in Europa’ (CBN). De recente aanslagen in Brussel hebben dit beeld alleen maar aangescherpt. Politici, commentatoren, en zelfs enkele deskundigen vallen over elkaar heen om te beargumenteren waarom juist in dit land zoveel terroristen voorkomen. Meest gehoord commentaar is ‘de versnipperde politiestructuur’, het ‘misplaatste tolerantie beleid’, een ‘falend buurtbeleid’ en ‘het ‘instabiele politieke klimaat in België.’ Als contrast lees ik maar weinig genuanceerde berichtgeving, terwijl dit nu juist op zijn plaats zou zijn. Om te beginnen, klopt het beeld wel dat België zo een grote uitschieter is als het gaat om het aantal jihad strijders? Om dit te staven worden steeds twee zaken naar voren gehaald: het aantal Syrië-gangers als percentage van de bevolking en het aantal betrokken Belgen bij de Parijse en Brusselse aanslagen. In beide ranglijsten staat België aan kop. Maar is dit wel een eerlijke analyse?

Om te beginnen met het aantal Syrië-gangers per hoofd van de bevolking. België is hier inderdaad een koploper, maar de berichtgeving hieromtrent vervalt meestal in een zwart-wit verhaal. België wordt hierbij als grote uitzondering van andere Europese landen geportretteerd. Maar is dit wel terecht? Om dit te toetsen heb ik het aantal Syrië-gangers eens afgezet ten opzichte van het aantal Moslims dat in een land woont. We weten een ding zeker en dat is dat de aanslagplegers zichzelf als Moslim percipiëren. En nee, ik zeg zeker niet dat alle terroristen Moslims zijn, en als helemaal niet alle Moslims terroristen zijn. Wat ik zeg is dat het behoren tot de Moslimgemeenschap een noodzakelijke voorwaarde is geweest voor de aanslagen, maar zeker geen voldoende voorwaarde voor het plegen van de aanslagen is geweest (denk aan sociale deprivatie of het wonen in een stad). Op basis hiervan is het dus beter om het aantal Syrië-gangers ten opzichte van het aantal Moslims in een land af te zetten omdat dit de enige bekende factor is die we tot nu met zekerheid kunnen bepalen. Het resultaat is te zien in de onderstaande tabel.

Hier naar kijkend valt op dat België inderdaad bij de top hoort, maar dat de verschillen met landen als Duitsland, Sweden, Oostenrijk en Frankrijk enorm klein zijn. Bovendien, landen als Finland (rond de 70 Syrië-gangers) en Polen (rond de 30 Syrië-gangers), die weliswaar niet veel Syrië-gangers hebben, steken er met kop en schouders boven uit als we dit afzetten ten opzichte van het aantal Moslims dat in deze landen woont. Kortom, gebaseerd op deze cijfers zouden we nog eens 10 landen als een ‘failed state’ kunnen bestempelen. Op zijn minst is de kwalificatie als België als grote dissonant in Europa zwaar overdreven en zelfs misplaats.

Ten tweede, het aantal Belgische aanslagplegers in de meest recente aanvallen was inderdaad hoog, maar dat was het aantal Fransen in de aanslagen ook en daar heb ik geen soortgelijke kwalificaties over gehoord. Bovendien, nu weten we dat beide aanvallen gepleegd werden door dezelfde zogenaamde ‘slapende cel’ en kijkend naar bovenstaande cijfers is de kans heel groot dat de volgende cel die ontwaakt voornamelijk bestaat uit Duitsers, Britten, Zweden, of Hollanders.

De zorg die ik heb is dat we oplossingen voor radicalisme in uiteenlopende landen gaan baseren op wat er allemaal mis ging in België. Op deze manier volgen we het misleidende pad dat België een uitzondering is (wat het dus niet is), en alles wat anders is in België dan dus ook wel verkeerd moet zijn (zoals de versnipperde politie, het politiek klimaat, etcetera). In dit geval wijst de vrij normale verdeling van radicalisme tussen landen er echter eerder op dat we een oplossing zullen vinden in overeenkomende problemen tussen landen (denk aan individualisering, islam-xenofobie, Midden-Oosten beleid, etc.). Kortom, het enige juiste antwoord op irrationele handelingen van terroristen moet niet zijn door angst verwrongen irrationalisme, maar juist een overdaad aan rationele besluitvorming.

 

 

 

Tussen droom en daad: hindernissen voor een effectieve aanpak van radicalisering en terrorisme

 Ruth Prins

 In de dagen na de aanslagen in Brussel wordt door menig expert het belang van een lokale aanpak van radicalisering en terrorisme onderstreept. ‘Doordringen tot de haarvaten van de samenleving’ zou de meest succesvolle aanpak zijn. In wijk, kroeg en buurthuis moet de overheid volop aanwezig zijn om radicalisering te signaleren en tegenwicht dan wel alternatief te bieden.

Wat men nastreeft wordt in de politieliteratuur community policing genoemd (Skogan, 1997; Corner, 1995). Deze filosofie voor politiewerk kwam op in Amerika tijdens de jaren tachtig van de vorige eeuw en werd daarna populair in Europa. Reactief politiewerk als crime fighting en wetshandhaving werd vanuit preventief oogpunt aangevuld met opbouwen van een vertrouwensband tussen agent en gemeenschap. Community policing gaat over lokaal politiewerk gericht op de bredere problematiek die achter criminaliteit en overlast schuilgaat. Het vergt proactieve aanwezigheid van vaste wijkagenten die partnerschappen aangaan met de schooldirecteur, de jongerenwerker en de buurtvereniging. Wijkagenten die voelen wat leeft, luisteren naar grieven en samen met hun partners investeren in de sociale binding van gemeenschappen en veerkracht van individuen.

Community policing in het kader van terrorismebestrijding veronderstelt dat de wijkagent - als vooruitgeschoven post van de overheid - de eerste signalen van radicalisering opvangt en daarmee een aangrijpingspunt voor een preventieve aanpak in handen heeft. De boel bij elkaar houden en kopjes thee drinken is zo gek nog niet. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, zowel in België als in Nederland.

De Belgische wijkagent heeft volgens het community policing model dus de sleutel in handen tot een effectieve aanpak van terrorisme. Echter, gehinderd door versnipperd bestuur komt een wijkagent mogelijk niet verder dan signaleren en blijft follow up met cruciale ketenpartners uit. Na de aanslagen in Brussel hekelde de burgemeester van Vilvoorde de bestuurlijke inrichting van het Brusselse gewest. De tweetalige lappendeken van negentien gemeenten met ieder hun eigen burgemeester en zes bovengemeentelijke politiezones vormt een barrière voor een effectieve aanpak van radicalisering en terrorisme. In deze context van bestuurlijke fragmentatie raakt, soms letterlijk, een hoop ‘lost in translation’. Hier doemt het bekende ‘probleem van de vele handen’ op: waar velen verantwoordelijkheid dragen is niemand echt verantwoordelijk (Bovens, 1990). Binnen een keten waar een klein leger aan burgemeesters en schepenen alsook wijkagenten van weer verschillende politiezones over een puzzelstukje aan informatie beschikken, verliest men al snel overzicht. Sterker nog, partijen raken het gevoel van eigenaarschap en invloed op maatschappelijke problemen kwijt.

In Nederland stelt de gloednieuwe Korpschef Akerboom dat het onlangs gecentraliseerde politiebestel zich zal bewijzen, mocht een incident als in Brussel zich hier voordoen. In het eerste evaluatierapport over de nationale politie klinkt op dit punt inderdaad een aantal positieve geluiden door. Volgens het merendeel van de bevraagde politiemedewerkers is de aanpak van radicalisering en polarisatie efficiënter en gemakkelijker vanwege kortere lijnen en verbeterde informatie-uitwisseling na centralisering van het politiebestel. Daartegenover staan ook negatieve ervaringen, waarvan het door sommige wijkagenten ervaren verlies van contact met de burger een belangrijke is. Precies op dit punt luidde tien burgemeesters van grote steden onlangs de noodklok. Ze stellen dat deradicalisering stokt door bezuinigingen op de politie. De wijkagent vervult immers een sleutelfunctie ter preventie van radicalisering en terrorisme, zeker in een nationaal politiebestel. Echter, wanneer het wettelijk minimum van 1 wijkagent op 5000 inwoners niet overal wordt behaald, is het lastig om voldoende ogen en oren in de wijk te realiseren. Tel daarbij op de veronderstelling dat Nederland tot op heden een aanslag bespaard is gebleven door community policing-achtige praktijken en u begrijpt de zorgen van onze burgervaders en -moeders.

Kortom, een fundamentele aanpak van radicalisering en terrorisme vraagt om een aanwezige en alerte overheid op het meest lokale niveau. Maar tussen droom en daad staan een versnipperd bestuur in België en een tekort aan mankracht in Nederland in de weg. Daarmee is preventie van radicalisering en bestrijding van terrorisme door overheden in de haarvaten van de samenleving een heuse hindernisloop.

Referenties

Bovens, M. (1990) Verantwoordelijkheid en organisatie: Beschouwingen over aansprakelijkheid, institutioneel burgerschap en ambtelijke ongehoorzaamheid. Tjeenk Willink, Zwolle.

Skogan, W.G. & S. M. Hartnett (1997) Community Policing, Chicago Style. New York: Oxford University Press.Cordner, G. W. (1995) Community Policing: Elements and Effects. Police Forum. Vol 5. Nr3: 1-8.

 

 

 

De haarvaten van de samenleving: onbekend maakt onbemind?  

Caelesta Braun

Het bezoek van Koning Willem-Alexander aan de Haagse Markt  op woensdag 23 maart, de dag na de aanslagen in Brussel, was al maanden gepland, geheel passend binnen de sociale agenda van het koningspaar. De mediaberichtgeving was treffend gekozen met een mengeling van citaten over ‘onze koning’, variërend in Nederlands met een plat Haags tot met een meer exotisch accent. De Koning, zo was de boodschap, stond midden in de samenleving en droeg het belang van ‘ons allemaal en allemaal samen’ daarbij sterk uit. Tegelijkertijd symboliseerde het bezoek, geheel onbedoeld overigens, het belang van een van de meest cruciale sturingsmechanismen in tijden van terreur: het hebben en houden van contact met de héle maatschappij. Niet alleen de verbondenheid van de Koning met de hele samenleving stond centraal tijdens het bezoek. In de eerste emotionele nasleep van  ‘Brussel’ stond ook de eensgezindheid tegen terrorisme ongeacht  afkomst of gezindte sterk in de schijnwerpers. Het bezoek aan de Haagse markt bracht hiermee tot uitdrukking dat ‘allen tot één’ kan maken, maar ook dat je daarvoor naar de mensen tóe moet gaan omdat de samenleving in al zijn diversiteit anders onbekend blijft. En een onbekende samenleving is over het algemeen problematisch, maar in kwesties van terrorisme en radicalisering is deze onbekendheid des te prangend. De nadruk op het belang van de wijkagent in de media in de dagen na de aanslagen is hier een sprekend voorbeeld van: de wijkagent wordt immers gezien als de ogen en oren van de overheid. Dit leidt tot een tegengestelde boodschap die we vaak na terroristische aanslagen of maatschappelijke onrust terug zien: na elke aanslag is de roep om repressie het grootst en concurreren stevige politieke uitspraken en harde veiligheidsmaatregelen met elkaar om de gunsten van de burgers. Anderzijds, zien we ook steevast de noodzaak terugkomen om de haarvaten van de samenleving te doorgronden, in dit geval via de wijkagent, een aanpak die haaks op de meer repressieve aanpak en de politieke ‘wij-zij’ framing in the heat of the moment staat.

Kennis van en contact met de haarvaten van de samenleving zijn cruciaal, maar tegelijkertijd vormt deze opdracht een van de meest complexe sturingskwesties. Want hoe bereik je diegenen die niet op de radar van de overheid willen of kunnen zijn? Wie is onze toegang tot de buitenlandse bijstandsmoeder van drie-hoog achter die geen Nederlands spreekt, maar het wel wil leren? Of wie ontsluit de belevingswereld van radicaliserende pubers in de polder of in de suburbs? Deze mensen bevinden zich niet vanzelfsprekend op de overheidsradar.  En dit is geen nieuwe kwestie, integendeel. Uit onderzoek dat ik eerder deed, blijkt dat het hebben van goede banden met kleine lokale organisaties die verschillende bevolkingsgroepen  vertegenwoordigen van groot belang is om als lokale overheid de samenleving leefbaar en stuurbaar te houden: ‘Wellicht is de effectiviteit van subsidies minder direct meetbaar, maar dit soort organisaties vormen voor ons de brug naar de samenleving.’ Op cruciale momenten kunnen we ze bereiken om de burgemeester de dag na aanslagen waar ook ter wereld ter plekke met de bevolking in contact te laten komen’, zijn enkele treffende samenvattingen uit dit onderzoek

Bij bijna alle pogingen van de overheid om deze doelgroepen te bereiken zien we een tweetal processen optreden. Ten eerste, ontstaat bij benaderingen gericht op een specifieke doelgroep, het risico op het vliegwiel-effect. Andere groepen maken ook aanspraak maken op bepaalde maatregelen, zoals subsidies of uitzonderingen, vanuit het gelijkheidsbeginsel of in geval van negatieve maatregelen (denk aan ethnic targeting) werkt het vaak stigmatiserend en uitsluitend.  Bij beide routes is de kans groot dat er fragmentatie en versnippering in de uitvoering ontstaat. Ten tweede, bij generiek beleid, zoals bijvoorbeeld de wijkaanpak, doet zich het recht van de sterkste voor. De groepen die het meest zelfredzaam zijn, komen in actie om aanspraak te maken op voordelen en subsidies. En bij een repressieve algemene aanpak, komen de meeste redzame groepen in actie om de mazen van de wet op te zoeken en deze maatregelen te ontduiken. Dit geldt zowel voor het creatief invullen van het belastingaangifteformulier als voor criminele activiteiten zoals het beramen van aanslagen.  Bij zowel een specifieke als generieke aanpak, zien we dus dat die doelgroepen die bereikt worden door de overheid, degene zijn die dat het minst nodig hebben en de blinde vlek voor diegenen die we het meeste op de radar willen hebben steeds groter wordt. Een fenomeen dat verband houdt met het door Lipsky in zijn klassieker Street-Level Bureaucracy aangeduide ‘creaming’: standaard procedures die ontwikkeld zijn door frontline professionals komen diegenen tegemoet die het zonder deze aanpak ook hadden gered.

Dit leidt tot een ongemakkelijk paradox in de aanpak van terrorisme (en andere onwenselijk gedragingen of maatschappelijke effecten): hoe meer je als overheid de nadruk legt op harde maatregelen en repressie specifiek voor bepaalde doelgroepen, hoe meer het probleem bestendigd wordt, in ieder geval op de korte termijn. En een meer generieke aanpak om dit te voorkomen kan niet zonder (lokaal) maatwerk om de haarvaten van de samenleving te ontsluiten. En dat betekent, linksom of rechtsom meer capaciteit van en voor frontline professionals gericht op preventie naast de overwegend zero-tolerance en repressieve aanpak die zo typerend is voor de eerste politiek-bstuurlijke reacties naar aanleiding van aanslagen.