De reorganisatie van het Nederlandse politiebestel ligt al jaren onder vuur. Een van de pijnpunten is het spanningsveld tussen een centraal georganiseerde politieorganisatie en de noodzaak politiewerk lokaal te verankeren. Het doemscenario is dat burgemeesters niet langer kunnen rekenen op voldoende politiecapaciteit om de lokale orde en veiligheid te handhaven. Dit als gevolg van keuzen door de landelijke korpsleiding die mogelijk haaks staan op lokale veiligheidsbehoeften.

Deze discussie werd getriggerd door een verandering in de verdeling van het beheer en gezag over de politie in de nieuwe politiewet. Binnen het regionale en gemeentelijke politiebestel hadden burgemeesters zowel gezag alsook een bepaalde vorm van beheer over de politie. Gezag gaf burgemeesters zeggenschap over wat de politie doet en laat op lokaal niveau. Via het beheer konden ze invloed uitoefenen op de inrichting van de politieorganisatie en toedeling van mensen en middelen. Sinds de invoering van de nationale politie is het beheer over de politie volledig ondergebracht bij de landelijke korpschef die daarover verantwoording aflegt aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Met als gevolg dat burgemeesters sindsdien zijn aangewezen op hun gezagsrol en niet langer sturing op lokaal politiewerk kunnen uitoefen via beheer.

Inmiddels zijn we ruim drie jaar verder en verschenen de eerste onderzoeken naar de nationale politie. Daarin is ook de positie van de burgemeester onder de loep genomen. Vorig jaar presenteerde de Stichting Maatschappij en Veiligheid een onderzoek naar de ervaringen van Nederlandse burgemeesters met de nationale politie. In datzelfde jaar verscheen het eerste onderzoek in opdracht van de Commissie Evaluatie Politiewet; een evaluatieonderzoek in de Eenheid Oost Nederland. In beide rapporten klinken verschillende praktijkgeluiden over de nieuwe verhouding tussen centraal beheer en lokaal gezag.

Zo blijkt een aanzienlijk deel van de burgemeesters een toegenomen afstand tot de politie te ervaren sinds de invoering van het nationale bestel. Door wegvallen van de beheerbevoegdheden voelen burgemeesters zich beknot in de uitvoering van het gezag over de politie. Echter, wanneer gevraagd naar de mate waarin ze beschikken over politiecapaciteit voor lokale prioriteiten, klinkt een ander geluid. Volgens een eveneens aanzienlijk deel van de burgemeesters is de beschikbare politiecapaciteit voor lokale problemen niet of nauwelijks veranderd sinds de invoering van de nationale politie. In enkele gevallen zelfs toegenomen.

Tot op heden lijken landelijke en lokale prioriteiten voor politiewerk in veel gemeenten nog redelijk parallel te lopen. Dat komt wellicht doordat landelijke prioriteiten deels bottom-up tot stand komen via een optelsom van prioriteiten binnen gemeenten en politie-eenheden. Een andere verklaring voor het feit dat burgemeesters grip op lokale orde en veiligheid lijken te houden, is de pragmatische houding van de burgervaders en -moeders. Wanneer geconfronteerd met een tekort aan politiecapaciteit stellen ze via alternatieve routes handhaving op lokale problemen veilig. Het is een bekend verschijnsel dat burgemeesters bijstand creëren via een lichtblauw leger van buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) alsook via inhuur van private beveiligers. Een praktijk die zich reeds voor de invoering van de nationale politie door gemeentelijk Nederland verspreidde.

Linksom of rechtsom lijken doemscenario’s over burgmeesters binnen een nationaal politiebestel die grip op lokale veiligheid verliezen nog geen wijdverbreid verschijnsel. Maar ook hier bieden resultaten uit het verleden geen garanties voor de toekomst. De reorganisatie is nog volop in gang en het stof moet in vele opzichten nog neerdalen. Uit de eerste onderzoeken blijkt dat burgemeesters de toekomst met enige argwaan bekijken. Ze vrezen voor het moment dat landelijke prioriteiten voor politiewerk botsen met hun lokale behoeften. Bijsturen op lokaal maatwerk via beheer is voor hen dan niet mogelijk vanwege de recente ontkoppeling tussen lokaal gezag en centraal beheer. Burgemeesters kunnen niet langer varen op het aloude adagium ‘beheer volgt gezag’.

Het blijft een vreemde constructie dat burgemeesters enerzijds verantwoordelijk worden gehouden voor lokale orde en veiligheid en anderzijds een instrument (beheer) om die verantwoordelijkheid waar te maken is ontnomen. Terecht wordt dan ook de problematiek van de finale knip tussen beheer en bezag erkend in het herijkingsplan nationale politie. Dat is goed nieuws voor burgemeesters. Minder goed nieuws is de constatering dat het plan geen concrete maatregelen presenteert om meer invloed aan de burgemeester terug te geven. De spanning tussen centraal beheer en lokaal gezag zal voorlopig blijven voortbestaan, met alle mogelijke gevolgen voor de lokale verankering van politiewerk. We zullen zien hoe het stof de komende jaren neerdaalt in gemeentelijk Nederland.